Het geheugen van de vakbeweging

Aart-Jan de Geus: ‘Ik heb nooit getwijfeld aan een akkoord zou komen’

Oud-minister blijkt terug op het Museumplein 2004

Eind augustus 2014. Een regenachtige middag. Een sobere, stille en witte kamer. Oud-minister Aart Jan de Geus op de ene bank, Piet Hazenbosch op de andere. Tussen hen in een ouderwetse cassetterecorder. Ze praten over tien jaar geleden. Over het afschaffen van de vut en het prepensioen, over de wao en de ww. Over wat er toen gebeurde en over wat er door het massale verzet van werknemers toen is veranderd. Piet Hazenbosch doet verslag.

Oud-minister Aart Jan de GeusOud-minister Aart Jan de Geus

Begin

“Ik werd minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het eerste kabinet Balkenende. Dat kabinet trad aan na 8 paarse jaren en wilde op zoek naar een andere relatie met sociale partners. Met name het CDA meende dat Paars zich weinig gelegen liet liggen aan werkgevers en werknemers en wilde door deelname aan het kabinet die relaties juist verbeteren. Ik typeer de verhouding tussen Paars en de sociale partners aan de hand van drie voorbeelden: De sociale zekerheid werd naar het publieke domein gehaald als gevolg van wantrouwen tegenover het georganiseerde bedrijfsleven, met SER-adviezen werd weinig tot niets gedaan en Paars zag niets in de ideeën waarmee partijen kwamen rond de langlopende wao-problemen.
Het CDA-smaldeel in het kabinet-Balkenende was bij aantreden juist zeer gemotiveerd om op alle drie die punten veel meer te doen met de eigen sturingskracht en met de veranderingsbereidheid van sociale partners. De VVD slikte dat tot op zekere hoogte en de LPF had niet een duidelijke andere visie, maar was enorm gemotiveerd om alles wat anders dan Paars was te omhelzen. Het kabinet ging dan ook van start met een positieve houding tegenover sociale partners.
In de zomer van 2002 schrokken wij behoorlijk van de economische ontwikkelingen en dat werd er in 2003 en 2004 niet beter op. Dat leidde onvermijdelijk tot een behoorlijke bezuinigingsagenda. De boodschap ‘wij willen naar de vakbeweging luisteren’ en de boodschap ‘bezuinigingen zijn echt nodig’ stonden op gespannen voet met elkaar.
Ik vond het in het begin van mijn ministerschap moeilijk om met Doekle Terpstra de goede verhoudingen te vinden. Doekle dacht vast zoiets als ‘een oude maat in het kabinet, dan hebben wij vanaf nu een heel andere positie dan de afgelopen 8 jaar’. Terpstra hoopte dus op een zeer sterk verbeterde relatie. Bij De Waal speelde ongetwijfeld de teleurstelling dat het de PvdA niet gelukt was naar boven te komen. En bij hem speelde ook dat hij van mening is dat ex-vakbondsbestuurders niet als minister van Sociale Zaken in een kabinet moeten gaan zitten. Ondanks die aarzelende houding van de vakbeweging werd in het najaar van 2002 een akkoord gesloten. Dat was met name ingegeven door het belang dat werkgevers hadden bij loonmatiging. Ik herinner mij dat in het proces dat tot het akkoord leidde, het zo af en toe wel schuurde tussen Terpstra en mij over de vraag ‘heeft het CNV binnen dit kabinet een streepje voor of niet?’ Dat bleek niet zo en dat leidde niet tot het verminderen van de spanning.

Afschaffen vut en prepensioen

Het kabinet zag de noodzaak van grote bezuinigingen en zag tegelijkertijd de vergrijzing van de beroepsbevolking toenemen. Dus het kabinet zag de noodzaak voor langer werken. Die twee samen vormden de sterke rationale om de fiscale ondersteuning van vut en prepensioen af te schaffen. Er was nog een politiek tactisch argument: bezuinigingen op vut en prepensioen leverden vrijwel direct geld op. Bij andere maatregelen zouden de structurele effecten pas op middellange termijn zichtbaar worden. Ik woog bij de besluitvorming ook af dat je door deze maatregel andere maatregelen, zoals het korten op het niveau van de ww of de bijstand, kon vermijden.
Op basis van het sociaal akkoord, dat eind 2003 wordt gesloten, komt overleg op gang over het kabinetsvoornemen vut en prepensioen af te schaffen. Dat proces leidt ertoe dat partijen langzaam naar elkaar toe lijken te schuiven. De zogenoemde spilleeftijd, d.i. de leeftijd waarop mensen vervroeg kunnen uittreden, is het kristalisatiepunt van het debat. Heel voorzichtig kruipen de gehanteerde leeftijden naar elkaar toe, maar op enig moment blijkt de rek uit het overleg. Op dat moment heeft elke onderhandelaar het gevoel al over de grenzen van zijn mandaat heen te zitten. En blijkbaar ontbrak toen het vermogen om het proces even stil te zetten en het gesprek op een hoger plan te tillen. Ik had toen overigens sterk het gevoel dat er niet meer in zat en ik denk dat bij de vakbeweging de animo om een akkoord te sluiten behoorlijk was afgenomen – de vakbeweging dreigde een akkoord te sluiten op een verliesdossier en voelde daar steeds minder voor. Dat had ook te maken met de hele geschiedenis van de wao. Mede daardoor begon het vertrouwen verder te verminderen. Dat zat niet lekker.
Wat ook begon te spelen was dat het kabinet behoorlijk aan populariteit had verloren in het najaar van 2003 en het voorjaar van 2004. Ik begreep de gedachtegang van de vakbeweging: ‘we gaan onze ziel niet verkopen aan een kabinet waarvan niemand weet hoe lang het eigenlijk nog zal zitten’.

Levensloopregeling

Een ander element dat in de discussie wordt betrokken is de levensloopregeling. Een regeling, die in het najaar van 2002 als een CDA-paradepaardje werd gepresenteerd. En daarmee werd het interessant voor anderen om het af te schieten. Het eerste wetsontwerp liep vast in de Kamer, waarna ik samen met de staatssecretaris van Financiën en partijgenoot Joop Wijn een nieuwe regeling ontwierp. Een regeling die overigens nooit bedoeld was om te koppelen aan het afschaffen van de vut.

De WAO

Een ander probleem dat rond het Museumplein speelt is de wao. Er lag na veel vijven en zessen een nagenoeg unaniem SER-advies. In het regeerakkoord stond dat er een wetsontwerp zou worden gemaakt op basis van het SER-advies. Probleem is dat het SER-advies een beleidsmatig stuk is, maar is geen wetsontwerp. Hier zit het venijn in de staart. De verschillen zitten in de technische uitwerking van het SER-advies. Het SER-advies had onduidelijk gelaten of mensen met een gedeeltelijke wao-uitkering uiteindelijk een levenslange inkomensgarantie moesten krijgen op  minimumloonniveau zonder bijstandstoets of niet. Dat zat niet in het SER-advies, maar de vakbeweging vulde dat zo in alsof dat wel zou moeten gebeuren, terwijl het kabinet dan anders invulde. Er was een tweede geschilpunt, het zogenoemde schattingsbesluit – waar het SER-advies overigens niets over gezegd heeft. De aanscherping van het schattingsbesluit heeft de vakbeweging gezien als een aanval op het karakter van het advies. Ik zag dat anders. Blijkbaar ging de vakbeweging er impliciet vanuit dat, als het SER-advies op de juiste manier gevolgd werd, de niet in het advies besproken punten vanzelf goed zouden komen.

De WW

Het was in het voorjaar van 2004 duidelijk dat het kabinet aanzet was en wij presenteerden in juni onze plannen voor vut en prepensioen. Intussen was rond de wao was het zwaartepunt aan het verschuiven richting meningsverschillen tussen fracties in de Kamer met name over het al dan niet privatiseren van de uitvoering. Opnieuw was er discussie over de noodzaak tot bezuinigen, waarbij de druk op mij om op de ww te korten toenam. Ik had bij het CNV geleerd dat je niet mag bezuinigen op de hoogte van de uitkering, wel op het volume, op het aantal uitkeringsgerechtigden. Dat bracht mij tot voorstellen om bijvoorbeeld de referte-eis te verzwaren. Een andere maatregel betrof het voornemen de bestaande gevallen in de wao te herkeuren. Dat leek veel geld op te leveren en volgens mij paste dat bij de veranderende gedachten rond de wao waarbij het accent kwam te liggen op de arbeidsgeschiktheid in plaats van op de arbeidsongeschiktheid.
In juni hebben we met elkaar informeel gesproken over de mogelijkheden om het toch nog eens te worden, maar dat bleek onmogelijk. Er waren te veel onoverbrugbare tegenstellingen en het verzet binnen de vakbeweging kwam echt op stoom. Het verhaal werd: iedereen wordt gepakt, niet alleen de ouderen. Het brede pakker was – zo begreep ik later van Terpstra – een soort blessing in disguise voor de vakbeweging. De vakbeweging moest mobiliseren rond vut en prepensioen, maar er bestond in het voorjaar een zekere angst voor het imago dat de vakbeweging alleen maar opkwam voor de belangen van ouderen. De verbreding van het pakket heeft een belangrijke rol gespeeld in de mobilisatiekracht van de vakbeweging.
Ik heb overigens nooit getwijfeld over het feit dat de uitkomst een akkoord zou wezen, nooit gedacht dat het er niet zou komen. In het voorjaar was het overleg vastgelopen op het vut-dossiers. Ik had het idee dat er met een bredere agenda meer mogelijkheden zouden ontstaan om tot een vergelijk te komen. Door het vergroten van het mandje met verschillen namen de mogelijkheden tot een akkoord toe.

Coolsingel en Museumplein

Er speelden meer dingen tegelijkertijd. Het was op de Coolsingel drukker dan verwacht, maar in mijn beeld maakte de vakbeweging het aantal demonstranten groter dan op grond van de politieschattingen is te rechtvaardigen. Het succes van Rotterdam had ook te maken met de nullijn voor ambtenaren, waar tegen de publieke diensten op de Coolsingel te hoop liepen. De aankondiging van de nullijn voor ambtenaren heeft ook mobiliserend gewerkt voor de opkomst in Rotterdam.
He tweede was dat de onvrede over het sociale gezicht van het kabinet sterk toenam. Dat had twee componenten: het beleid op Sociale Zaken an sich en daarnaast het beleid op de portefeuille immigratie en integratie. Dus er was ook binnen het kader van mijn eigen partij veel weerstand tegen wat het kabinet deed. Misschien was de actiebereidheid binnen de vakbeweging in het voorjaar nog laag, maar de onvrede was groot.
Het succes van het Museumplein heeft ook te maken gehad met een hele goede organisatie door de vakbeweging. Ik weet uit mijn eigen vakbondstijd dat het verstrekken van gratis treinkaartjes op een zaterdag heel goed werkt.
De vakbeweging zag dit voor zichzelf ook als een toetssteen voor zijn eigen bestaansrecht. Dat heb ik in het voorjaar niet zo gezien, maar tegen het najaar drong dat besef tot me door. Eigenlijk pas op de dag zelf en in de dagen na het Museumplein. Ik ontmoette na 2 oktober totaal andere personen. Het zelfvertrouwen was enorm toegenomen. Dat zelfvertrouwen maakte het gek genoeg ook mogelijk om tot een akkoord te komen. De vakbeweging had zich gemanifesteerd en zijn bestaansrecht bewezen.

Het akkoord

Na de manifestatie op het Museumplein leek het Balkenende, Van der Knaap en mij een goede gedachte dat je een discrete fase nodig had om informeel te verkennen wat de mogelijkheden waren om tot een vergelijk te komen. Daarvoor was het gewenst om niet een van de hoofdrol speler op pad te sturen, maar wel iemand die bekend was in de kring van sociale partners. Van der Knaap leek geknipt voor die rol. Als staatssecretaris van Defensie had hij zich op geen van de betwistte dossier ooit geprofileerd en hij was een vertrouweling van Balkenende. Cees was politiek en inhoudelijk onbelast, maar hij genood wel het vertrouwen en die combinatie was buitengewoon uniek.
Gerrit Zalm had al voor 2 oktober gezegd dat hij wel een lijntje kon leggen met De Waal. Hij vroeg mij of er bezwaar tegen had dat hij dat lijntje eens uitwierp. Ik vond het prima, want we hadden belang bij informele contacten. Cees kwam het moeilijkste binnen bij de FNV en Lodewijk dacht ‘Ik moet bij de penningmeester van het kabinet zijn’. Zalm en De Waal stonden ideologisch ver genoeg uit elkaar om puur zakelijk te spreken. Het kan lastig worden als je vanuit een min of meer zelfde ideologie praat, want dan kunnen er achter de argumenten andere argumenten schuilen.
Op grond van de gesprekken van Cees en tussen Lodewijk en Gerrit, besluit het kabinet om informeel overleg te starten. De premier was weer zover hersteld dat hij bij die gesprekken aanwezig kon zijn. En die gesprekken leidden uiteindelijk in november tot een akkoord.”

Tien jaar later

Wat het Museumplein en het Museumpleinakkoord veranderd hebben aan de plannen van het kabinet? Voor het eerst valt een lange stilte in het gesprek. Moet De Geus nadenken? Of is er eigenlijk niks veranderd? Na enige aarzeling gaat hij verder.
“Als je naar de lange termijn ontwikkelingen kijkt dan zie je dat in 2004 een schoksgewijze point of no return is geweest in een omschakeling naar langer doorwerken. De fiscale ondersteuning van vut en prepensioen verdwenen op termijn en de overgang werd versoepeld door de inzet van de levensloopregeling. Ook het feit dat de vakbeweging meewerkte aan een akkoord heeft die hervormingen in Nederland mogelijk gemaakt. Het buitenland keek met verbazing toe, want zulke structurele veranderingen tot stand brengen in overleg met sociale partners zie je echt nergens.
Het akkoord heeft structurele wijzigingen mogelijk gemaakt, die – ik weet het niet zeker – anders niet mogelijk waren geweest. Daarmee heeft het akkoord wel historische betekenis omdat de trend naar langer doorwerken echt werd ingezet en omdat de langslepende discussie rond de wao werd afgerond. Het CDA was erg tevreden over de invoering van de levensloopregeling en we hebben toen niet doorgrond dat het Museumpleinakkoord tegelijkertijd de doodsteek was voor die nieuwe regeling. Wij hadden het vertrouwen dat die regeling ook voor andere dingen, zoals ouderschapsverlof, gebruikt zou worden en dat is eigenlijk niet gebeurd. Sindsdien hoor je ook niks meer over die regeling dan van mensen die met behulp van die regeling nu toch nog vervroegd uittreden.
Eigenlijk heb ik mij er over verbaasd dat er na het akkoord niet werd gemekkerd over de pijn die het hier en daar deed. De meest belanghebbende bij vut en prepensioen hebben blijkbaar in het akkoord een zeker comfort gezien. Het structurele aspect was na het akkoord niet langer omstreden, terwijl het overgangsrecht aanmerkelijk versoepeld is door de koppeling met de levensloopregeling.
Piet Hazenbosch
September 2014